Dobermann    Vom Schloss Lupus      Dobermann

 


De Dobermann

Geschiedenis:

De dobermann dankt zijn naam aan Herr Louis Dobermann.Hij wordt beschouwd als de schepper van het ras.
Louis Dobermann werd geboren in 1823. Hij beoefende verschillende baantjes, waaronder plaatselijke hondenvanger in Apolda in Thüringen, Duitsland.
De reden waarom hij verschillende rassen (niet bekend welke rassen in het specifiek) in zijn fokprogramma gebruikte, was dat hij een betere waakhond wou creëren dan er al bestond.
Er wordt vermoed dat hij begon met een Duitse Pinscher, die algemeen was in die tijd. Ook is men zeker dat hij gebruik maakte van de Rottweiler en de (oude) Duitse herdershond, omdat hij deze ook in zijn bezit had. Men speculeerde ook nog over enkele andere rassen, zoals vb. de Weimaraner, de Hongaarse Visla, de Duitse kortharige Pointer en de Manchester Terrier.
Zijn favoriete grijze teef, met de naam "Schnuppe" was geen herdershond, noch een Pinscher, maar was slechts een kruising van de bestaande honden in Apolda in die tijd. Hij liet deze teef dekken door een "slagershond", een soort voorloper van de Rottweiler gekruist met een soort herdershond. Hierdoor ontstond de zwarte en roodbruine kleur, die tevens het handelsmerk is van het ras.
Blijkbaar werden ook "bastaarden" van Pinschers en jachthonden gebruikt.
Raszuivere honden volgens de standaard van vandaag kwamen enkel in uitzonderlijke gevallen voor.
Met deze mengeling van honden zou dhr. F.L. Dobermann gefokt hebben in de jaren 1870.
Hij verkreeg een ras werkhonden, die niet alleen waakzaam waren, maar tevens moedige tuin- en huishonden bleken te zijn, die veel ingezet werden als politiehonden en voor beveiliging.
De eerste inschrijving van een dobermann in het Duitse stamboek vond plaats in 1893. Hierna steeg de populariteit van het ras opmerkelijk.
In 1899 stond hij officieel bekend als dobermannpinscher. Ook in dat jaar werd de eerste Nationale Dobermannpinscher Club gesticht, door
Otto Goeller. Deze heeft nog een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van het ras na de dood van Herr Dobermann.
In 1900 werd er een standaard opgesteld door de Duitse Kennel Club. In de Eerste Wereldoorlog werden de meeste honden naar Amerika gestuurd, dit wegens de ontberingen van die tijd. In Amerika kende het ras reeds succes.
Het duurde dan ook niet lang vooraleer de eerste Dobermann Pinscher Club in Amerika werd opgerichte. Dit was in 1921. Het duurde veel langer vooraleer de Dobermann in Groot-Brittannië terecht kwam. Maar pas in 1947 kwamen de dobermanns in aanzienlijke aantallen het Verenigde Koninkrijk binnen.Deze invoer gebeurde voornamelijk door Fred en Julia Curnow en Lionel Hamilton-Renwick.

   

 

De rasstandaard van de Dobermann:

Deze rasstandaard is vastgesteld door de F.C.I. onder nr. 143 dd 24-09-1991.

Oorsprong: Duitsland

Gebruik: Geleide-, Waak- en Verdedigingshond.
Classsificatie F.C.I.: Groep 2:
Pinchers en Schnauzers, Molossers en Schweizer Sennehonden;
Sectie 1: Pinschers en Schnauzers met africhtingscertificaat.

De Dobermannfok streeft een middelgrote, krachtige en gespierd gebouwde hond na, die ondanks alles in de lijn van het lichaam elegantie en adel uitstraalt. Hij moet bijzonder geschikt zijn als geleide-, waak- en gebruikshond en evenzo als hond in het gezin.

1. Algemene verschijning
De Dobermann is middelgroot, krachtig en gespierd gebouwd. Door de elegante belijning van zijn lichaam, de fiere houding, de temperamentvolle aard en de vastberaden uitdrukking voldoet hij aan het ideaalbeeld van de hond.

2. Belangrijke maatverhoudingen (proporties)
De bouw is haast vierkant, dit geldt in het bijzonder voor de reu.De lengte van de romp (van het borstbeen tot de zitbeenknobbel) mag de schofthoogte bij reuen met niet meer dan 5% en bij teven met niet meer dan 10% overtreffen.

3. Het karakter
De Dobermann is van huis uit vriendelijk en vredelievend, zeer aanhankelijk in het gezin en houdt van kinderen.
Een middelmatig temperament en een middelmatige scherpte zijn een vereiste. Verder is een middelmatige prikkeldrempel vereist.
Bij een goed geleide Dobermann met werklust moet worden gelet op het vermogen tot presteren, moed en hardheid. Ten aanzien van de oplettendheid ten opzichte van de omgeving moet veel waarde worden gehecht aan zelfverzekerdheid en onverschrokkenheid.

4. Het hoofd
4.1 De bovenkant: krachtig, bij de romp passend
.
Van bovengezien lijkt het hoofd op een stompe keg. De dwarslijn van de schedel moet - van voren gezien - bij benadering horizontaal verlopen,dus niet aflopen naar de oren.

De haast recht vanuit de voortzetting van de neusrug verlopen schedelbeenlijn helt tot de nek in een lichte ronding.
De rondingen van de wenkbrauwen zijn goed ontwikkeld zonder er uit te springen. De rimpel in het voorhoofd is nog zichtbaar. De achterhoofdsknobbel mag niet opvallend zijn.
Van voren en van boven bekeken mogen de zijkanten van het hoofd niet uitsteken.De lichte welving aan de zijkant van de bovenkaak en het jukbeen moeten in harmonie met de totale lengte van de kop zijn.
De spieren van de kop zijn krachtig ontwikkeld.
De stop: het verloop van het voorhoofd is gering, maar duidelijk herkenbaar. 

 

 

4.2. Vooraanzicht
De schedel: de neus - de top van de neus is goed gevormd, meer breed dan rond en met grote openingen, zonder naar voren te springen. Bij zwarte honden is de neus zwart en bij bruine en blauwe honden overeenkomstig hun kleur lichter.
De bek: de bek moet in de juiste verhouding tot het hoofd staan en krachtig ontwikkeld zijn.
De bek is diep, de mondspleet moet ver tot aan de molaren komen.
Een goede breedte van de bek moet ook reiken tot aan de bovenste en onderste snijtanden.
De lippen: deze moeten vast en glad tegen de kaak liggen en een strakke sluiting van de mondspleet waarborgen.
Donker pigment, bij bruine honden een iets lichtere kleur.
Kaak, gebid en tanden: krachtige, brede boven- en onderkaak. Scharend gebit, 42 tanden volgens het tandschema, normale grootte.

De ogen: ze zijn middelgroot en ovaal en donker van kleur. Bij bruine honden is een iets lichtere kleur geoorloofd. Goed aanliggende oogleden, behaard ooglid.
De oren: het hoog aangezette oor wordt rechtop gedragen en is gecoupeerd op een lengte, die in verhouding tot het hoofd staat.
Voorzover er in een land een coupeerverbod bestaat , wordt het ongecoupeerde oor als gelijkwaardig erkend.
(Gewenst middelgroot en met de voorste rand glad tegen de wangen liggend).

5. De hals
In verhouding tot het hoofd en lichaam van goede lengte. Hij is droog en gespierd. Hij rijst omhoog in een sierlijk gebogen lijn. De houding is rechtop en toont veel adel.

6. Het lichaam
De schoft: deze moet vooral bij reuen in hoogte en lengte geprononceerd zijn en daardoor de van het kruis af stijgende ruglijn bepalen.
De rug: deze is kort en vast. De rug en lendenen moeten van een goede breedte zijn en goed gespierd.
De teef mag in de lendenen iets langer zijn vanwege de voor de tepels benodigde plaats.
Het kruis: dit moet vanaf het heiligbeen in de richting van de staartaanzet gering, dus nauwelijks waarneembaar, afvallen. Het moet er dus goed afgerond uitzien, maar mag noch recht noch opvallend, afvallend zijn. Het moet een goede breedte hebben met een sterke spiermassa.
De borst: de lengte en diepte van de borst moet in een goede verhouding tot de lengte van de romp staan, waarbij de diepte ongeveer de helft van de schofthoogte moet zijn. De borst moet van een goede breedte zijn en naar voren bijzonder geprononceerd (voorborst).
De buiklijn: van het einde van het borstbeen tot het bekken is de buik duidelijk opgetrokken.
De teelballen: bij reuen moeten beide teelballen, normaal ontwikkeld, zich zichtbaar in het scrotum bevinden.

7. De ledematen
7.1 De voorhand:

Algemeen: de voorbenen staan van alle kanten bekeken bijna recht, dat wil zeggen, loodrecht op de grond, en zijn krachtig ontwikkeld.
De schouders: het schouderblad ligt vast tegen de borstkas aan, is aan beide zijden van de schouderbladen goed bespierd en steekt uit boven het doornuitsteeksel van de borstwervel.Bij een zo schuin en zo goed mogelijk liggende schouder bedraagt de hoek naar de horizon ca 50 graden.
De opperarm: goede lengte met goede bespiering, hoek tot het schouderbled ongeveer 105- 110 graden.
De ellebogen: goed aanliggend en niet uitdraaiend.
Het spaakbeen: krachtig en recht, goede bespiering. De lengte in overeenstemming met het lichaam.
Voorpootwortelgewricht: krachtig.
Voormiddenvoet: botten krachtig, van voren gezien recht en van opzij een slechts nauwelijks waarneembare schuine hoek van hoouit 10 graden.
De voorvoeten: deze zijn kort en gesloten. De tenen naar boven gewelfd (kattenvoeten), de nagels kort en zwart.

7.2 De achterhand:
Algemeen: van achteren gezien toont de Dobermann - op grond van zijn geprononceerde spierstelsel van het bekken - breed en afgerond in de heupen en het kruis. De van het bekken naar het dijbeen en scheenbeen lopende spieren geven een goede breedteontwikkeling ook in het gebied van het dijbeen, in de knieholte en bij het spaakbeen. De krachtige achterpoten zijn recht en staan parallel.
De dijen: deze zijn van een goede lengte met een sterke bespiering. Een goede hoek naar het heupgewricht. De hoek naar de horizon bedraagt ca 80-85 graden.
De knie: het kniegewricht is krachtig en wordt door de dij en het scheenbeen gevormd evenals door de knieschijf. De hoek van de knie bedraagt ca 130 graden.
Het scheenbeen: Het scheenbeen verbindt zich in het spronggewricht met de middenvoetsbeentjes (hoek ca 140 graden), dit is middelmatig lang en is in harmonie tot de totale lengte van de achterhand.
Het spronggewricht: middelkrachtig, parallel.
De middenvoet: de middenvoet achter is kort en staat loodrecht op de grond.
De achterpoten: net als de voorpoten zijn de tenen ook kort, gewelfd en gesloten. De nagels kort en zwart.

8. Het gangwerk
Het gangwerk is zowel voor het prestatievermogen, alswel voor het exterieur van bijzonder belang.De gang moet elastisch, elegant, soepel, vrij en uitgrijpend zijn.
De voorbenen bewegen zich zo ver mogelijk naar voren. De achterhand geeft ver uitgrijpend en veerkrachtig de gewenste stuwkracht.
Het voorbeen van de ene kant en het achterbeen van de andere kant worden tegelijk naar voren gezet.
De rug, de banden en de gewrichten moeten goed vast zijn.

9. De huid
De huid zit overal strak en is goed gepigmenteerd.

10. De beharing
10.1 De gesteldheid van het haar
:
Het haar is kort, hard en dicht. Het ligt vast en glad en is gelijkmatig over het gehele oppervlak verdeeld. Onderwol is niet geoorloofd.

10.2 De kleur:
De kleur is zwart of donkerbruin met roestrode, scherp afgetekende zuivere brand. De brand bevindt zich op de bek, als vlek op de wang en bovenste oogleden, op de keel, twee vlekken op de borst op de middenvoeten en voeten, aan de binnenkant van de achterbenen, om de anus en op de zitbeenuitsteeksels.

11. Grootte/gewicht
11.1 Grootte:
schofthoogte Reuen 68 - 72 cm,
Teven 63 - 68 cm, telkens is het gemiddelde gewenst.

11.2 Gewicht:
Reuen: ca 40 - 45 kg,
Teven: ca 32 - 35 kg.

 

Fouten bij de Dobermann:


Algemene verschijning: gebrek aan geslachtskenmerken. Te weinig substantie, te licht, te zwaar, te hoog, zwakke beenderen.
HOOFD: te krachtig, te smal, te kort, te lang, teveel/te weinig stop, ramsneus, sterk afvallende schedelbeenlijn, zwak ontwikkelde onderkaak, ronde of spleetogen, lichte ogen, te dikke wangen, niet aanliggende lippen, bolle of diep liggende ogen, te hoog of te laag aangezette oren, open mondhoek.
HALS: iets kort, te kort, bovenmatig ontwikkelde keelhuid, keelkwabben, hertenhals, te lang (niet harmonisch).
LICHAAM: rug niet vast, afvallend kruis, ingezakte rug, karperrug, te veel of te weinig welving van de ribben, niet genoeg borstdiepte, respectievelijk brede evenals te lange rug, ontbrekende voorborst, te hoog of te diep aangezette staart, te weinig of te sterk opgetrokken buiklijn.
LEDEMATEN: te veel of te weinig hoeking van de van de voor- respectievelijk de achterhand, losse ellebogen, van de standaard afwijkende stand en lengte van de botten en gewrichten, te nauwe of te brede stand van de tenen, koehakkig / O-benen en te nauwe stand van de achterhand, open of slappe voeten, onderontwikkelde tenen, lichte nagels.
BEHARING: te licht, niet scherp begrensde, onzuivere brand, te donker masker, grote zwarte vlekken op de benen. Lang zacht en wollig haar, evenals plekken met te weinig haar of kale plekken. Grote haarkruinen in het bijzonder op het lichaam, zichtbare onderwol.
KARAKTER: ontbrekende zelfverzekerdheid, te hoog temperament, te hoge scherpte, agressiviteit, te weinig of te hoge prikkeldrempel.
GROOTTE: van de standaard afwijkende grootte tot 2 cm, moet worden bestraft met terugzetten in de beoordeling.
GANGWERK: onvaste, trippelende, niet vrije gang en telgang.

 

Fouten die tot diskwalificering leiden:


ALGEMEEN: uitgesproken omkering van de geslachtskenmerken.
OGEN: gele ogen (roofvogeloog), meerkleurige ogen.
GEBIT: overbijten, tanggebit, onderbijten en te weinig tanden volgens het tandenschema.
TEELBALLEN: niet normaal ontwikkelde twee teelballen in het scrotum.
BEHARING: witte vlekken, uitgesproken lang en golvend haar, uitgesproken dunne beharing en grote kale plekken.
KARAKTER: angstige, schuwe, nerveuze en overdreven agressieve honden.
GROOTTE: honden, die meer dan 2 cm naar boven of naar beneden van de standaard afwijken.

 

 

 

 

HomeNieuws | Over ons| Contact | Onze hondjes | Pups | NakomelingenFoto's | In Memoriam | InfoLinks